Is het wijs om in de lente zonnebrandcrème te dragen?

Nederlanders geven massaal gehoor aan de oproep om binnen te blijven. Gelukkig komt de zon er weer aan. Heb je een tuin of een balkon, dan kun je de komende dagen misschien lekker van het lentezonnetje genieten. Veel mensen slaan in de lente het smeren van zonnebrandcrème over en gebruiken het alleen op zonnige zomerdagen. Is dat wijs? Lees hieronder wat ons advies is.

 

UV-straling

 

Je hebt vast weleens gehoord dat UV-straling uit zonlicht de grootste oorzaak is van huidveroudering. Belangrijk dus om je huid hier goed tegen te beschermen.

 

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen UVA-, UVB- en UVC-straling. Over UVC-stralen hoef je je geen zorgen te maken, want deze worden tegengehouden door onze ozonlaag.

 

UVB-straling is in de lente en vooral in de zomer krachtig aanwezig in Nederland. Het zorgt ervoor dat je huid bruiner wordt, doordat de aanmaak van melanine wordt verhoogd. Als je huid verbrandt, komt dit ook door UVB-licht. De UVB-stralen kunnen doordringen in de buitenste laag van de huid (de opperhuid of epidermis). Hier kunnen ze DNA-schade aanrichten en huidkanker veroorzaken. UVB-licht kan slechts gedeeltelijk door wolken doordringen en door glas kan het vrijwel niet heen. Maar op bewolkte dagen kun je zeker ook huidschade oplopen en verbranden als je onbeschermd buiten bent. Op grote hoogtes, zoals in wintersportgebieden, loopt je huid een zeer hoog risico op schade en zonnebrand door UVB-straling. Als je in de schaduw of onder een parasol zit, moet je je huid ook goed insmeren.

 

UVA-straling is tijdens ieder seizoen en ieder moment van de dag sterk aanwezig. Deze vorm van UV-licht kan dieper in de huid doordringen en zo de middelste laag van de huid (de lederhuid of dermis) beschadigen. Deze straling kan zelfs het afweersysteem van de huid onderdrukken waardoor je huid gevoeliger wordt voor de ontwikkeling van huidkanker. Ook leiden vooral UVA-stralen tot huidveroudering, omdat ze het collageennetwerk van de huid aantasten en zo tekenen van (vroegtijdige) huidveroudering veroorzaken, zoals rimpels, ouderdomsvlekken, huidverslapping en een uitgedroogde huid. UVA-straling gaat door wolken en glas heen. Dus ook in de auto, tijdens een regenbui of achter een raam loopt je huid schade op door dit licht.

 

Onderzoek UV-straling en huidveroudering

 

Dr-Navadeh

Blog: Dermatoloog Dr. E. Navadeh.

De wetenschap komt met steeds meer bewijs dat het dagelijks insmeren met zonnebrandcrème huidveroudering aanzienlijk vertraagt.

 

In Australië is een grootschalig onderzoek gedaan naar het verband tussen zonnebrandgebruik en huidveroudering. Hiervoor werd een gerandomiseerde groep van 903 volwassen mannen en vrouwen met een leeftijd onder de 55 jaar tijdens een periode van 4,5 jaar gevolgd. De ene groep kreeg de opdracht om zich iedere dag van het jaar goed in te smeren en de andere groep gebruikte zonnebrandcrème op vrijwillige basis (niet per se elke dag). Aan het einde van het onderzoek bleek de groep die dagelijks de huid goed had beschermd tegen de zon nauwelijks huidveroudering had opgelopen. Ook vertoonde de huid van deze groep in het geheel 24% minder tekenen van huidveroudering dan de huid van de groep die zich alleen had ingesmeerd wanneer ze het zelf nodig vonden.

 

Interessant is dat er is aangetoond dat het dagelijks insmeren van je gezicht met een breedspectrum zonnebrandcrème tekenen van zonneschade van je huid zelfs kan herstellen. In een klinisch onderzoek kreeg een groep van 32 personen de opdracht om hun gezicht gedurende een jaar iedere dag te beschermen met een breedspectrum zonnebrandcrème SPF 30. Aan het begin van de studie, na 12, 24, 36 en 52 weken werd de gezichtshuid van de personen door henzelf en door een dermatoloog geëvalueerd. Na ieder evaluatiemoment bleek hun huid significant minder tekenen van zonneschade te vertonen. Aan het einde van het onderzoek werd bij 100% van de personen een verbeterde huidstructuur en helderheid van het gezicht geconstateerd. Verder werd er bij 40 tot 52% van de deelnemers ook een vermindering van pigmentvlekjes op het gezicht vastgesteld.

 

Vitamine D-aanmaak

 

Blokkeert het dagelijks insmeren met zonnebrandcrème dan niet de aanmaak van vitamine D uit zonlicht? Door de stand van de zon kun je in de herfst en de winter in Nederland sowieso niet voldoende vitamine D aanmaken door blootstelling van je huid aan zonlicht. Maar om huidveroudering, hyperpigmentatie en huidkanker zoveel mogelijk te voorkomen, adviseren wij ook om in de lente en zomer niet onbeschermd met je gezicht, hals, decolleté en handen in de zon te gaan. Ga tijdens deze maanden liever regelmatig 10-15 minuten tussen 11 en 15 uur met je lichaam – in zwemkleding of in ieder geval met blote armen en benen – onbeschermd in de zon. Langer in de zon blijven heeft geen zin en werkt juist averechts. Lang zonnebaden raden wij altijd af. Mocht je twijfelen of je vitamine D-gehalte voldoende is, dan kun je dit laten testen via een medische instantie en eventueel een veilige dosis vitamine D suppleren. Ook zou je wat vaker vitamine D rijke voeding op het menu kunnen zetten, zoals zalm, sardines en eieren. Ga in ieder geval niet onder de zonnebank, want dit is zeer schadelijk voor je huid.

 

Ons advies

 

Volgens ons is het niet overdreven om je gezicht, hals, decolleté en handen elke dag in te smeren met zonnebrandcrème, omdat UV-straling iedere dag sterk aanwezig is en blootstelling hieraan het risico op huidkanker en vroegtijdige huidveroudering aanzienlijk verhoogt. Elke dag goed smeren dus met een breedspectrum zonnebrandcrème (die beschermt tegen UVA- en UVB-straling) met minstens SPF 30. Je huid zal je er op lange termijn dankbaar voor zijn.

 

Bronnen:

 

Randhawa M, Wang S, Leyden JJ, Cula GO, Pagnoni A, Southall MD, Daily Use of a Facial Broad Spectrum Sunscreen Over One-Year Significantly Improves Clinical Evaluation of Photoaging, Dermatol Surgery December 2016; 42 (12): 1354-1361.

 

Hughes MC, Williams GM, Baker P, Green AC, Sunscreen and Prevention of Skin Aging: a Randomized Trial, Annals of Internal Medicine June 2013; 158 (11): 781-90.